VAN MESSING

Ducht

Een ontketend Van Messing triomfeert
Review concert in Zalen De Meester te Zoeterwoude

Vrijwel iedereen kent het beeld van capriolen uithalende koeien die, na een lange winter op stal, op een mooie lentedag weer de wei in mogen. Die dieren weten van gekkigheid niet waar ze het eerst moeten springen om hun blijdschap te tonen. Het is de pure verbeelding van het begrip ‘bevrijding’.

Op zondag 11 juli 2021 mocht voor de derde keer op rij (na vrijdag 9 en zaterdag 10) de Beste Band Waar Veel Te Weinig Mensen Van Hebben Gehoord – kortweg: Van Messing – zijn opwachting maken op het podium van de feestzaal in het Zoeterwoudse café De Meester.

En jawel hoor, de vonken van het bevrijdingsvuur spatten er nog steeds van af. Na een naargeestige ‘winter’ van maar liefst bijna anderhalf jaar, met ‘zoom’-repetities en lockdown-gefröbel, gingen de vijf heren dan eindelijk helemaal los, al was het ook nu weer een dubbeltje op zijn kant en was het aan de souplesse van de plaatselijke diender te danken dat de deuren niet op het laatste moment alsnog in het slot vielen.

Zo’n veto terwijl de apparatuur al stond opgesteld, de instrumenten speelklaar – je moet er niet aan denken. In april 2020 zou de verschijning van Van Messings laatste cd, Ducht, worden opgeluisterd met een paar mooie optredens. Het mocht niet zo zijn. Ook de herkansing in oktober werd roemloos afgeblazen. Aangezien oom agent ook wel wist dat driemaal scheepsrecht is, besloot hij nu grootmoedig groen licht te geven.

En terecht. Het was zo’n middag waarop iedereen – band, publiek én personeel van De Meester, dat maar bier en bitterballen bleef aanslepen – winnaar was en waarvan men nog vele jaren later tegen zijn (klein)kinderen zegt: ik was erbij. Andermaal werd bevestigd dat live-optredens de beste graadmeter vormen voor de kwaliteit van een band. In de studio kun je schaven en poetsen en bijpunten tot in het oneindige, maar op het podium komt messcherp aan het licht of de keizer deugdelijke kleding draagt, of dat hij met de witte winterbillen genadeloos bloot moet. Nou, die kleren bleken puntgaaf in orde. Met name het Sgt. Pepper-achtige jasje van zanger Paul Pardon stal de show, al bleef dat na de pauze achter de coulissen hangen. Begrijpelijk: het vuur was inmiddels hoog genoeg opgestookt, de interactie tussen band en publiek bijna tastbaar, nog versterkt door de even prachtige als functionele graphics die bij elk nummer de achterwand sierden, en daarmee de performance nog iets meer reliëf gaven.

De band ging er meteen vol in met ‘Is dit mijn land’, gevolgd door een prachtig uitgebalanceerde set met natuurlijk het aanstekelijke ‘HEEh!’ als ultieme test voor het publiek, dat met werkelijk ijzeren zelfbeheersing (bijna) steeds keurig en coronaproof bleef zitten. Dat publiek wist vanaf de eerste maten meteen dat de rapen gaar waren. Een ontketend Van Messing had nauwelijks genoeg aan de ruimte die het podium bood. Oké, drummer Coen Oldenkamp kon zelfs Keith Moon spelen als hij dit had gewild, hij zat toch veilig opgeborgen achter een spatscherm en hij kon zijn energie dus virtuoos en koersvast als altijd roffelend, rammelend, ritselend, tikkend en tokkend prima kwijt. Maar toetsenist Daan Andriessen leek, uitgelaten als hij was, in zijn hoekje bijna een machteloze pas de deux met zijn klavieren te willen beginnen. Bassist Ed Swart moest al zijn lenigheid aanspreken om zanger Paul Pardon niet aan zijn instrument te rijgen, die op zijn beurt zich weer moest beperken tot een incidentele sur place uitgevoerde dansact. Alleen nestor Ton Bavelaar had met zijn veelzijdige gitaarspel doorgaans genoeg aan tevreden knikjes naar zijn mannen en beminnelijke glimlachjes richting het ademloos luisterende publiek. Speaking of which: je kon bijna elk afzonderlijk elementair deeltje horen vallen toen Ton met zijn karakteristieke rafelige timbre het melancholieke ‘Als wat ik zeggen wil niet zegt wat ik bedoel’ ten gehore bracht. Daan maakte het af met een wonderschoon arrangement van piano en cello.

Want dat is het mooie bij deze formatie: ze zijn verdikkeme van alle markten thuis. Van symfonisch tot blues, van jazz tot new-wave, van poppy tot doorleefd, van rock tot roll, van fluweel tot schuurpapier – zo’n beetje alle stijlen passeren de revue. En steeds die rake, prikkelende, tot reflectie stemmende, soms bijna abstracte teksten, die breed uitwaaieren – van de wereldproblematiek tot het intiem-persoonlijke, van Leiden tot Berlijn, van serieus tot onbezorgd, van jonge hond tot wijze man.

Maar wat er ook gebeurt: ze spelen uitsluitend eigen werk en schrijven hun gelaagde teksten in het Nederlands. Geen concessies aan de commercie, pertinent geen knieval voor de radiobonzenkliek, maar gewoon met jongensachtig plezier hun ziel en zaligheid in de strijd werpen, onder het motto: f**k beroemdheid. Dan maar niet in de Heineken Music Hall. Lekker belangrijk.

Na de pauze waagden de heren zich ook aan nieuw materiaal. Want dat doen die jongens dus ook nog – niet uitsluitend leunen op vertrouwde akkoorden en uitgesleten toonladders beklimmen, maar gewoon nieuwe nummers blijven schrijven, van een constant hoog niveau ook nog. Een heerlijk staaltje vakmanschap zoals ze bij ‘1000 Namen’ precies op ‘1000’ uitkwamen; de teller op de achterwand had hen anders meedogenloos ontmaskerd. Onvermijdelijk naderde het einde van het zinderende concert, want aan alles, hoe goed ook, komt een eind. Nadat Van Messing had afgesloten met ‘Zon en zee’, riep het publiek zoals te verwachten was om meer.

En toen, in de toegift, sloegen de mannen nog een keer op bijzondere wijze toe met het verbluffende, intieme en ontroerende ‘Zoals ik van niemand hou’. Zittend op de rand van het podium bespeelde Ed, normaal gesproken de ritmische ruggengraat-op-de-achtergrond, zijn basgitaar op een manier die gerust magisch mag worden genoemd. Stilletjes reeg hij noot aan noot tot een ragfijn akoestisch snoer. Paul, die met zijn soepele stem vrijwel alle registers en stijlen aankan en daarbij het optreden ook nog eens moeiteloos en humoristisch aan elkaar praatte, streek vocaal feilloos neer op dat snoer en de aangrijpende tekst vulde het geheel aan tot pure perfectie. Dat Paul vergat de bij het nummer horende beelden op de achterwand te starten, viel niemand in de zaal op, sterker nog: dat accentueerde de perfectie alleen maar. In zo’n ingekeerde stemming kon de band het publiek natuurlijk niet naar huis sturen, dus sloten ze up-tempo af met het nieuwe ‘Duindoornduin’ en het vertrouwde ‘Ik kan niet alleen’.

Daarmee was het feest echt voorbij. Nog lang bleef het onrustig – ongetwijfeld in Zoeterwoude, waar doorgaans waarschijnlijk niet zo heel veel gebeurt, maar ook in mijn gemoed. Eerst wist ik niet wat zich in me roerde, maar algauw bleek dat de vrolijkheid over het optreden verknoopt begon te raken met een hoopvol breder en dieper inzicht. Het inzicht dat zolang er mensen bestaan die in staat zijn zowel schoonheid te creëren als wezenlijke vraagstukken aan de orde te stellen, deze wereld ondanks alle crises nog steeds een mooie plek kan zijn.

Arie de Geus

© 2021 VAN MESSING

Thema door Anders Norén